EET SMAKELIJK
In illo tempore, want anders denkt de in vele opzichten felbegaafde doch op andere punten weinig verdraagzame medemens weer dat ik zomaar wat uit de duim zuig, werd ik zeer tegen mijn zin geboren, tot overmaat van ramp in de negorij geheten Dendermonde, te midden van ruxefnes uit een of andere wereldoorlog, niet ver van schoenmaker Tommy en rechtover Frederic L., de begaafde doch versmade gitarist, wiens broer wel minister werd doch achteraf sterfelijk bleek, – kon het erger? Neen. In tegenstelling tot de kinderen van heden had ik wxe8l twee ouders, de een speelde met glans de rol van mijn vader en de ander was in niets minder dan alles zijn spiegelbeeld, met alle hebbelijkheden en uitwendigheden van dien. Maar aten wij vlees, dronken wij wijn, waren we geliefd of gehaat, was armoede ons lot, was ik een bedplasser of een onuitstaanbare etter, en was de man die het mansardekamertje op het zoldertje boven ons hoofd bewoonde een dronkaard, een dichter of een dief, nooit zal ik het met zekerheid weten: al jarenlang ben ik de enige dorre loot aan de dode tak op de in negentienhonderd en zoveel gerooide boom in het bos dat nooit woud wilde worden. Het familiearchief werd aan de ratten geschonken en voor de erfelijke kasten kreeg ik geld, boeken waren er niet en al het eten was op, behalve twee diepgevroren forellen die ik de vanger terugbezorgde.
Het duurde dan ook niet lang of ik werd afgrijselijk ziek, en op een avond om half tien werd ik officieel dood verklaard, zelfs mijn beentjes hadden al opgehouden met spartelen. Ik zag zo blauw als wat en werd tegen beter weten in nog korte tijd afwisselend in heet en ijskoud water gedompeld, maar priester en acoliet waren al zingend en biddend onderweg, en wanneer ik dit schrijf reeds tot op minder dan tweehonderd meter van mij genaderd. Daar schrok ik zo hevig van dat ik op slag begon te genezen, ook al bleef ik er slecht uitzien.
Bij wijze van straf werd me de daaropvolgende jaren de kunst van het lezen en het schrijven, zeg maar van het liegen en het bedriegen bijgebracht door een resem godslasteraars en kinderpotelaars teveel om op te noemen, maar van ieder van hen ken ik nog exact de voornaam, de familienaam en de bijnaam, en is 052.230.29 niet het telefoonnummer van een van hen?
In een klein stalletje leerde ik in halve duisternis muizen met een strooien hoedje op en blauwe schoentjes aan veel te kleine voeten rondjes fietsen, en bij het licht van een gedoofde kaars waande ik me circusdirecteur Ali Tondeur terwijl ik van houtkrullen een driemastige tent maakte, – et xe7a, mon vieux Bxe9bert, il faut le faire. x92s Avonds bij het slapengaan vertelde ik mijn vader van grote Jan en zijn reuzenfiets, die nog groter was dan de wereld zelf, maar kleiner dan mijn ogen die van vaak toevielen, en mean while, uit te spreken zoals Chuck Berry het zingt, verrichtte mijn moeder huishoudelijke taken, met of tegen haar zin, omdat het nodig was of zomaar, en waarom niet, misschien leed ze aan een dwangneurose. Alle dagen was ze ziek, 84 jaar aan een stuk, net Kortjakje, nu ja, niet echt, neen, helemaal niet zelfs, want u kent toch het verhaal van Kortjakje, het Hollandse meisje van plezier? Wel, zo was mijn moeder niet: ik was en bleef haar enig kind, voorbehoedsmiddelen bestonden zeventig jaar geleden tot haar grote vreugde en mijn grote spijt nog niet, en op slachtofferhulp heb ik nooit kunnen rekenen.
Veel later bracht ik mezelf tussen hamer en aambeeld, want een sikkel hadden we niet, de naar vreemde planten en giftige avonturen ruikende vaardigheden van het autonoom en afwijkend doemdenken bij. De basis voor xe9xe9n plus xe9xe9n is drie was gelegd. Terwijl mijn vader op de dorpel van blauwe steen stoofhout kapte en mijn moeder de nachtemmer voorzichtig ledigde in het greppeltje achter het stalletje, en stukjes bruingevlekt gazettenpapier langs buurmans hoveke in de richting van de vieze beek vaarden, hield ik me op mijn alkovenkamertje bezig met het leren achterwaarts tellen en het inwendig opzeggen van het alfabet van beneden naar boven en omgekeerd, zonder ook maar het geringste geluid te maken. x92t Is zo ne brave, ik hoor het de vele tantes nog in koor zeggen, en van pure woede sloeg ik een, twee, drie vliegen na mekaar dood, en dat, zelfs dat, alleen dat beklaag ik me nu nog. Op ons achterwerk stonden altijd flarden onleesbaar Nieuws van de Dag gedrukt, want ook al woonden we in een bouwvallig nest en bestond het toilet uit niet veel meer dan een wiebelende plank boven een put vol stinkende stront, steeds lagen ter reiniging der anale zone voldoende netjes op maat gescheurde, maar terzake vanwege veel te hard, weinig efficixebnte stukjes krant van eergisteren binnen handbereik, want van roze of naar jasmijnen geurend wc-papier hadden we nog nooit gehoord, als het al bestond. En sinds ik in 1951 in het halfdonker eens op rampzalige wijze de gapende opening voor begane grond had aangezien, stond voor mij in een hoek van de keuken steeds een kleine roestige emmer klaar, en ook daar lag verscheurd ochtend- en avondnieuws binnen handbereik, verborgen onder twee aan mekaar genaaide versleten handdoeken, een stilleven zonder weerga.
Naarmate de tijd vorderde, en dan heb ik het niet over uren, dagen of weken, en ikzelf navenant en onophoudelijk ouder werd, stapelden de herinneringen aan van alles zich op, ook al was er volgens mij nog niets gebeurd dat me de moeite van het onthouden waard leek. In de ogen van Jan en Allemie was ik echter al lang een buitengewoon onnuttig lid van alle mogelijke maatschap en denkbaar gezelschap geworden, en zelf twijfelde ik aan ongeveer alles, alleen van mijn toekomst was ik zeker: ground zero.
Ondertussen bleken de eeuwen gewisseld, en een geheim, doch groezelig drieschap van rechter, advocaat en ambtenaar had profijt geroken, en met list en macht probeerden ze me te verschalken: na tweexebntwintig uur schoof deurwaarder Piet de beaamde leugens van ambtenaar Klets onder de deur, gezeten aan een bureautje dat het hare niet was zette advocaat Minnepoes de beaamde leugens van Piet et cetera kracht bij alsof haar leven er van afhing en het mijne van geen tel was, en verscholen achter indrukwekkende stapels onbeschreven papier in een getralied hok van vier op vier aan het einde van een ellenlange gang in een gebouw vol doolhoven en parasieten bevestigde een rechter zonder naam, meer man dan vrouw mijn ongelijk alsof ik daar zelf ooit ook maar xe9xe9n ogenblik aan had getwijfeld. En al is het nu even stilte voor de storm, mij en de mijnen brengt dat duivels gezelschap ten onder, dat hebben ze elk apart en plechtig beloofd aan de vieze stinkslak die haar wast in het wijwater dat ze zelf plast, – ze zouden eens moeten weten.
Na drie maanden van zeer slecht weer werd het op een dag tegen alle verwachtingen in weer 4 februari en ik schoot in een lach als ik vroeg in de ochtend allerhande autox92s de ene na de andere, eerst rode, dan groene en tenslotte niets anders dan grijze in dezelfde richting zag wegkoersen, en nog diezelfde avond verwonderde ik me er al evenzeer over als ik dezelfde non-bolides met zx92n allen in tegenovergestelde richting en omgekeerde volgorde achter wat heet de kim weer zag verdwijnen. Ik bespaar u mijn ervaringen van 5, 6, 7, 8, 9 en alle daaropvolgende februarix92s. Maart sla ik ook over, en september bestond toen nog niet, op naar 1981 dus, al is dat een flinke stap terug in de tijd.
Ik ergerde me al een tijd aan al het warm water dat in ruil voor een handvol grijpstuivers die de mijne hoorden te zijn naar believen uit de designkranen der buren stroomde, terwijl ikzelf om twee emmertjes met koud slijm te vullen acht minuten onophoudelijk diende te pompen. Ook sindsdien sliepen in onderaardse metrogangen te Antwerpen, Luik, Charleroi en Brussel mensen bij gebrek aan woonst op de grond, ook al stonden er in iedere straat van elke stad van deze strontstaat honderdduizend en misschien wel veel meer huizen leeg. Uit protest tegen zoveel centrale verwarming weigerde ik nog langer mazout te bestellen, en toen ook dat niet lukte vulde ik in de toenmalige Vredestraat te Lebbeke de tank eigenhandig met regenwater, een ontploffing kon nog nipt vermeden worden. Rekeningen betaalde ik niet meer en brieven met aanmaningen gooide ik ongeopend in vuur zonder rook, en omdat zoals iedereen weet een ongeluk een kuddedier is, overkwam me gisteren de lectuur van een tekst waarin Eric Rosseel oproept om op 7 juni e. k. niet te gaan stemmen. Eric Rosseel, vroeg ik me verbijsterd af, wie zou dat wel kunnen zijn, alleszins geen rode duivel zoals een beklagenswaardige fan hem noemt, want laat me niet lachen, er is maar xe9xe9n zwart schaap en dat ben ik.
Zo voel ik me de ene dag konijn en vreet ik de daaropvolgende ochtend haver als een vers beslagen zebrapaard, als ik al niet op arendswijze hoog in het zwerk schijnbaar doelloos rond zweef in plaats van hoge toppen te scheren, en zie, daar loop ik nu weer in een of andere winkelwandelstraat te scharrelen als een poulet fermier uit de door mij zo verafschuwde Franse en naar rottende vis ruikende Gers, en kijk, kijk, roep ik naar enkele omstanders, een kangoeroe, en terwijl ze reeds wegvluchten probeer ik nog de wijkagent te imiteren, doch meestal gedraag ik me als een ezel, wat overigens allemaal op hetzelfde neerkomt.
En zo is het inderdaad: waar gisteren de zomer nog voor de deur stond, plast nu de oude dag in mijn broek; na zoveel jaren van vallen en nooit opstaan en opnieuw beginnen en nog een keer vallen en niet kunnen opstaan en weer herbeginnen, zit ik nu definitief met de gebakken peren. Eet smakelijk.
